Duurzaamheid en humanisme


Duurzaamheid is een begrip dat niet alleen gaat over de verhouding van de mens tot de natuur maar ook over de duur (tijd), ten aanzien van de volgende generaties. Hoe het humanisme zich verhoudt tot beide factoren wordt hieronder kort geïntroduceerd met de focus op de ontwikkeling ervan. 

Van het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ doen vele omschrijvingen en interpretaties de ronde. Meest bekend is de definitie in het rapport Our Common Future uit 1987 van de World Commission on Environment and Development van de Verenigde Naties: “Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder het vermogen in gevaar te brengen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien.” Deze definitie verbindt enerzijds de hoop dat verdere economische ontwikkeling de leefomstandigheden van de minstbedeelden op de wereld zal verbeteren en anderzijds de hoop dat dit kan met gelijktijdige bescherming van natuurlijke hulpbronnen. De Commissie voegt expliciet daaraan toe dat “mensen centraal staan bij de zorgen voor duurzame ontwikkeling.”

Op het eerste gezicht is het streven naar een duurzame ontwikkeling van vanzelfsprekende betekenis voor het humanisme. Er is voldoende wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatverandering, afname van de biologische diversiteit en uitputting van natuurlijke hulpbronnen, om in te zien dat het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien wordt bedreigd. Er zijn daarnaast genoeg aanwijzingen dat de meest kwetsbaren op aarde nu al worden getroffen door de nadelige effecten van onze huidige onduurzame ontwikkeling. Aangezien humanisten een humane samenleving nastreven waarin mensen met waardigheid een goed leven kunnen leiden, kan dat niet anders dan zorg inhouden voor kwetsbaren in andere landen en ons nageslacht. Als de mens centraal staat, geldt dat evenzeer voor de toekomstige mens als de huidige, en evenzeer voor de mens ver weg als nabij. De meer welvarende landen hebben daarbij een dubbele verantwoordelijkheid: niet alleen hebben zij historisch het meest aan de milieuproblematiek bijgedragen, maar zij hebben ook de meeste (financiële) middelen om die problematiek aan te pakken. 

Antropocentrisch

Het humanisme is echter ook bekritiseerd. Volgens sommige auteurs zou aan de ecologische crisis een tweedelige arrogantie ten grondslag liggen die juist kenmerkend is voor het humanisme. Ten eerste het idee dat enkel de mens van morele waarde is. Volgens dit zogenoemd antropocentrische wereldbeeld zou de niet-menselijke natuur alleen van instrumentele waarde zijn, dat wil zeggen van waarde voor zover van belang voor het welzijn van de mens. Ten tweede de hybris dat wetenschap en technologie de mens in staat zouden kunnen stellen de niet-menselijke natuur te ‘onderwerpen’ en te temmen voor nader menselijk nut. Deze ‘arrogantie’ van de mens zou zijn wortels hebben in de Verlichting: René Descartes en Immanuel Kant hielden er beslist een antropocentrisch wereldbeeld op na, terwijl Francis Bacon een belangrijke rol heeft gespeeld voor de ontwikkeling van het huidige technologie-optimisme.

Verschillende humanisten hebben echter laten zien dat, hoewel de analyse van de diepere oorzaken van de ecologische crisis juist kan zijn, antropocentrisme en hybris niet essentieel zijn voor het humanisme. In Nederland hebben bijvoorbeeld de humanistische filosofen Hans Achterhuis, Wouter Achterberg, Marcel Wissenburg en Henk Manschot beargumenteerd dat het humanisme evenzeer verenigbaar is met respect voor de niet-menselijke natuur, oftewel een biocentrisch of ecocentrisch wereldbeeld. Ook is het humanisme verenigbaar met scepsis ten aanzien van de mogelijkheden van de technologie en de opvatting dat de natuur met voorzorg dient te worden benaderd. Hoewel het humanisme een intrinsiek optimisme herbergt ten aanzien van de mogelijkheden en verantwoordelijkheid om het eigen leven vorm te geven, betekent dat optimisme niet per se een blind vertrouwen op de veerkracht van de natuur en op het oplossend vermogen van wetenschap en techniek.

Zelftranscendentie

Niet alleen is er discussie binnen het humanistische gedachtegoed ten aanzien van de betekenis van de natuur, maar ook botsen twee denkbeelden ten aanzien van de betekenis van toekomstige generaties. Aan de ene kant is dat het Epicurische idee dat wat na onze dood gebeurt ons niet aangaat, aangezien wijzelf er dan niet meer zullen zijn. Aan de andere kant staat het idee dat wat na onze dood gebeurt ons wel degelijk aangaat, omdat veel van de zaken waaraan wij betekenis in ons leven ontlenen zaken zijn die ons individuele leven overstijgen. Bij dat ‘overstijgen’ hoeft een humanist niet te denken aan een andere metafysische werkelijkheid, maar simpelweg aan het verbonden voelen met ‘aardse zaken’ zoals familie, tradities, erfgoed, wetenschap en natuur. In zijn latere werk plaatste de humanistische psycholoog Abraham Maslow zelftranscendentie, het verbonden voelen met zaken buiten het zelf, boven zelfactualisatie aan de top van zijn piramide van menselijke behoeften. 

Het humanisme heeft echter een moeizame relatie met termen als ‘zingeving’ en ‘zelftranscendentie’ vanwege de angst dat hierbij een beroep wordt gedaan op een bovennatuurlijke werkelijkheid en mystiek waartegen het humanisme zich juist verweert. Maar zoals gezegd kan het bij zelftranscendentie en zingeving gaan om zeer aardse zaken. Zo is het inconsistent om een toegewijd supporter te zijn van de lokale voetbalclub, maar het bij leven niet uit te maken als na je dood de club degradeert en failliet gaat. Ook de verbondenheid met de lokale voetbalclub, het ontlenen van identiteit daaraan, is daarom een voorbeeld van zelftranscendentie. 

Samenvattend: enerzijds is duurzame ontwikkeling een vanzelfsprekende waarde voor humanisten. Vanuit eerbied voor al het leven gaat het welzijn van mensen elders en later de humanist evenzeer aan het hart als dat van mensen hier en nu. Anderzijds vraagt een duurzame ontwikkeling een verbreding van het blikveld. Ten eerste verdient niet alleen de mens morele consideratie, maar ook andere dieren en wellicht zelfs elk niet-menselijk organisme. Ten tweede gaat het bij toekomstige generaties niet alleen om eerbied jegens hen, maar ook om het besef dat alle generaties tezamen projecten en praktijken voortzetten waarvan de waarde het individuele leven overstijgt. Wat de mens tot mens maakt, is immers niet alleen dat hij een scheppend wezen is dat vanuit zichzelf waarde geeft, maar ook – en misschien vooral – dat hij voortbouwt en op de schouders staat van vorige generaties. Het voortzetten van die ontwikkeling, het streven naar een duurzame ontwikkeling, is daarom bij uitstek een humanistische waarde. Niet alleen om de wereld humaan te houden voor toekomstige generaties en vanuit respect voor de natuur, maar ook vanuit zingeving voor onszelf.

___________________________________________________________________________

Auteur van dit venster: Prof. Dr. Marc Davidson

Verder lezen

Zie voor een verbinding in het humanisme tussen zelfactualisatie en zelftranscendentie bijvoorbeeld J.P. Van Praag (1953: 32): “Zo is de boodschap van het humanisme. De verkondiging van een bestaan, waarin de mens op iedere trap van ontwikkeling en ontplooiing zichzelf verwerkelijkt door zijn betrokkenheid op het niet-zelf.” In: Geestelijke verzorging op humanistische grondslag. Humanistisch Verbond, Utrecht.

  • Manschot, H. (2016). Blijf de aarde trouw. Pleidooi voor een Nietzscheaanse terrasofie.
  • Ten Bos, R. (2017). Dwalen in het antropoceen. 
  • Van den Berg, F. (2015). Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme.
  • Van den Berg, F. (2013). Philosophy for a better world.