Homohuwelijk (2001)
Het homohuwelijk: de kroon op de homo-emancipatie of het kritiekloos volgen van de heteronorm? Elise van Alphen volgt de discussie rond de openstelling van het burgerlijk huwelijk.

Primeur in Amsterdam
De openstelling van het burgerlijk huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht wordt als hét sluitstuk gezien van de homo-emancipatie. In april 2001 vond de eerste huwelijksinzegening van een homopaar in de wereld plaats, en wel door Job Cohen, toen burgermeester van Amsterdam. Anders dan in veel landen waar het homohuwelijk, zoals deze wetswijziging in de volksmond vaak (abuis) wordt genoemd, flink wat commotie veroorzaakte en vaak nog steeds onderwerp van strijd is, verliep het debat rondom gelijkgeslachtelijk trouwen in Nederland relatief rustig. Met het aantreden van het eerste Paarse kabinet (1994) werd een commissie ingesteld om de mogelijkheden omtrent trouwen voor homoseksuele paren uit te zoeken. En al snel werd ook het geregistreerd partnerschap voor zowel homoseksuele als heteroseksuele paren mogelijk (1998).
Vanuit religieuze hoek was er vanaf het begin af aan veel verzet tegen de openstelling van het heilige huwelijk voor de homoseksuele medemens. Maar ook daar waren uitzonderingen: het Remonstrantse Broederschap bood in 1986 al de mogelijkheid om zowel homoseksuele als heteroseksuele relaties te laten zegenen en schafte terloops ook het woord huwelijk af. Bovendien waren er ook dissidente CDA-parlementariërs die het voorstel van het tweede Paarse kabinet om het burgerlijk wetboek aan te passen, steunden. Na vijftien jaar lobby en parlementair debat, dat ook ging over adoptiemogelijkheden voor homoparen en de omgang met gewetensbezwaarde trouwambtenaren, werd het homohuwelijk het paradepaartje voor humanistisch Nederland. Immers, gelijke behandeling en gelijkberechtiging van iedere mens, ongeacht zijn sekse, seksualiteit, religie of etniciteit, staat hoog op de humanistische agenda.
De aantrekkingskracht van het normale
Hoewel het homohuwelijk tegenwoordig het vanzelfsprekende streven lijkt te zijn van elk zichzelf respecterende homobeweging, stonden eind jaren tachtig niet alle homoseksuelen te juichen toen (De Stichting vrienden van De) Gay Krant en zijn hoofdredacteur Henk Krol lobbyden voor de mogelijkheid om als homopaar te trouwen. Niet alleen homostudies wetenschappers fronsten hun wenkbrauwen over deze aantrekkingskracht van het normale, zelfs het COC was in eerste instantie geen voorstander voor een dergelijke wetsverandering. Waarom niet?
Heterootje spelen
De homoseksuele critici zagen in het streven naar een homohuwelijk een aanpassing aan de heteronorm die de samenleving in al haar facetten al zo doordringend bepaald. Ze zagen dit burgerlijke streven dus als een manier om te tonen dat je niet anders bent dan hetero's, maar eigenlijk gewoon hetzelfde. Waar blijft de trots, de gay pride, waar homo's nog zo in de jaren zeventig voor stonden, als je bedeesd in het stadhuis het jawoord tegen elkaar zegt? Betoogd werd dat homoseksuelen hun vrijheid juist moeten omarmen en deze moesten gebruiken om eigen relatievormen te creëren. Anders dan in heterorelaties hoeven homoseksuelen zich niet te bevrijden van de dwang tot monogamie en de vaste rollen die de man en vrouw in de relatie bezetten; als buitenstaanders hebben homoseksuelen de mogelijkheid om alternatieve samenlevingsvormen te ontwikkelen. Het COC schaarde zich achter deze positie: de individuele vrijheid tot het kiezen van een eigen (seksuele) levensstijl stond centraal. Het feministische geluid van bijvoorbeeld Simone de Beauvoir klinkt in dit betoog door.
Het huwelijk als achterhaald instituut
Daarnaast werd er een meer directe aanval op het huwelijk als instituut geopend. Het was een discriminerend instituut dat gehuwde mensen voortrekt door ze specifieke rechten toe te kennen. Het COC vroeg zich af wat er nu precies met dit patriarchale instituut omarmd wordt en of het niet beter zou zijn om te streven naar een verwerping van dit verouderd instituut. Een homohuwelijk zou dit instituut en het bijbehorende idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving nog eens versterken. Oud COC-voorzitter Benno Premsela wees bijvoorbeeld niet alleen op de illusie van duurzaamheid die aan de trouwring vast zit, maar ook op negatieve gevolgen van het huwelijk, zoals de feministische beweging heeft getoond: het houdt mensen (en in het heterohuwelijk waren dat de vrouwen) in een afhankelijke positie van elkaar.
Recht op protest
Toch konden veel huwelijkssceptici niet om het argument heen dat ook homoseksuelen het recht moeten hebben om te kiezen om niet in het huwelijksbootje te stappen en tegen het instituut te protesteren. En daarvoor moet er eerst de juridische mogelijkheid zijn om te trouwen. In 1995 laat het COC dan ook een ander geluid horen: hoewel ze nog steeds argwanend zei te zijn tegen het traditionele huwelijk, wilde ze samen met de Gay Krant de lobby voor openstelling voortzetten. Intussen groeide het aantal voorstanders voor gelijkgeslachtelijk trouwen snel onder de Nederlandse bevolking en was een wetsverandering niet meer te stoppen. Nederland is het eerste land ter wereld waar homoseksuelen net als hetero's mogen trouwen. Een zeer progressieve daad waarvan haar symbolische uitwerking nog steeds internationaal doorwerkt. En dat door een, volgens veel homoseksuelen, archaïsch instituut open te stellen.
Auteur van deze tekst
Elise van Alphen doet als AIO van de Universiteit van Humanistiek onderzoek naar de politiek van de humanistische en homoseksuele beweging.
