Protagoras (ca 490 - 420 v. Chr.)

'Van alle dingen is de mens de maat (...)'

Protagoras van Abdera leefde in een tijd van grote veranderingen op politiek en intellectueel gebied in Griekenland. We weten niet veel van hem, wel dat hij optimist was, geloofde in het menselijke kunnen maar uiteindelijk - net als Socrates - werd beschuldigd van goddeloosheid en ter dood veroordeeld.  Een belangrijker zin uit zijn werk staat bekend onder naam homo mensura-stelling, en luidt: 'Van alle dingen is de mens de maat (...)'.


Prometheus maakt de mens in aanwezigheid van Athena, detail. In 1802 geschilderd door Jean-Simon Berthélemy, opnieuw door Jean-Baptste Mauzaisse in 1826. Te zien in het Louvre.

De bronnen over het leven van Protagoras zijn ofwel enigszins bevoordoordeeld (Plato) ofwel uit latere tijd en tamelijk oppervlakkig. Enkele feiten zijn veelzeggend. Zo werd hem door de Atheense generaal Perikles gevraagd of hij wilde meedoen aan de stichting van de Atheense kolonie Thurii in Zuid-Italië; later werd hij in Athene aangeklaagd wegens goddeloosheid (asébeia). Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld en zijn boeken werden in het openbaar verbrand: al met al een belangrijke nuancering op de veelgeroemde openheid van het Atheense democratische systeem!

Sofisten

Protagoras is het best bekend in de geschiedenis van de filosofie als één van de vertegenwoordigers van de Sofisten. De Sofisten waren rondtrekkende professoren die overal in Griekenland - vaak tegen riante betaling - hun diensten aanboden en vooral jongeren onderwezen in allerlei disciplines. Hun meest in het oog springende vaardigheid lag op het terrein van retorica (welsprekendheid), een vaardigheid die hard nodig was in democratische stadstaten als Athene. Wie invloed wilde uitoefenen op het politieke besluitvormingsproces in de volksvergadering, moest zijn standpunten overtuigend kunnen formuleren.
   
Maar ook op andere gebieden waren de Sofisten actief, zoals de wiskunde, dialectiek, taalkunde, natuurwetenschappen en medicijnen. De Sofisten borduurden voort op ontwikkelingen die al eerder waren ingezet. Door handel en kolonisatie was de wereld groter geworden, in de literatuur was de aandacht voor het individu gegroeid en in de filosofie was al een scheiding aangebracht tussen het menselijk denken en objectieve kennis. De Sofisten meenden dat de mens zich kon ontplooien door het verwerven van kennis, een standpunt dat vooral in conservatieve en aristocratische kringen werd bestreden. Vanwege hun geloof in vooruitgang door ontwikkeling en onderwijs worden de Sofisten vaak bestempeld als vertegenwoordigers van een soort verlichtingsdenken in Griekenland (of misschien moet je zeggen: Athene).

De weinige werken van Protagoras

Van Protagoras boeken is vrijwel niets overgeleverd. De bekendste titels zijn Over de goden en De waarheid of weerleggingen. Van het eerste werk is één zin overgeleverd: 

'Van de goden kan ik niet weten of ze bestaan en ook niet of ze niet bestaan en evenmin hoe ze er uitzien; want er zijn veel dingen die in de weg staan om dat te weten, namelijk de onduidelijkheid hierover en het feit dat een mensenleven zo kort is.'

Al is de context niet bekend, het lijkt wel duidelijk dat een dergelijke zin blijk geeft van een vorm van agnosticisme (de overtuiging dat men over god niets kan weten). Protagoras geeft aan dat het onderzoek naar dit vraagstuk onmogelijk gemaakt wordt door factoren die niet te beïnvloeden zijn. Hij was echter wel degelijk geïnteresseerd in de goden, hetgeen niet hoeft te verbazen in een maatschappij als Athene. Het verhaal dat hij werd aangeklaagd wegens goddeloosheid, wordt er alleen maar aannemelijker door.

Een belangrijker zin is afkomstig uit het tweede werk (De waarheid of weerleggingen), staat bekend onder naam homo mensura-stelling:

'Van alle dingen is de mens de maat, van de dingen die zijn dat ze zijn en van de dingen die niet zijn, dat ze niet zijn'.

Plato, bij wie deze zin geciteerd wordt, gaat in op de betekenis ervan. Hij doet dat aan de hand van een voorbeeld over wind en kou: als er een wind waait, zal de één dat koud vinden, de ander niet. Maar betekent dit nu dat een ding tegelijk koud en niet koud kan zijn?  

Plato concludeert dat Protagoras zichzelf tegenspreekt, maar volgens Protagoras is dat toch niet het geval. Hij bedoelt dat iemand iets waarneemt en beoordeelt al naar gelang zijn situatie. Dit is een vorm van relativisme waarin duidelijk wordt dat een stand van zaken niet per se op een eenduidige manier beoordeeld kan worden. Wat voor de ene mens geldt in een bepaalde situatie, hoeft voor een ander niet zo te gelden.

Ook hier is het moeilijk te beoordelen wat Protagoras nu precies bedoelde: gaat het alleen maar over waarneembare feiten als kou, of gaat het ook over kwaliteiten als rechtvaardigheid? Is de mens algemeen bedoeld of individueel? En gaat de stelling alleen over kennis of ook over ethische kwesties?

In ieder geval wordt de stelling van Protagoras in de loop van de geschiedenis wel degelijk gezien als het begin van relativisme tegenover de theorieën die juist één waarheid poneren. Plato is daar natuurlijk dé exponent van: hij meent dat niet de mens, maar juist god de maat is van alle dingen en dat het onmogelijk is om de werkelijkheid te beschouwen als iets veranderlijks.

Een optimist

Een mooi stuk over de geschiedenis van de staatsvorming volgens Protagoras wordt verteld in de gelijknamige dialoog van Plato, die zeker sympathie had voor deze sofist.
De mythe gaat als volgt. Toen de goden de mens gevormd hadden uit water, aarde en vuur, droegen ze Prometheus en diens broer Epimetheus op om de mens van kwaliteiten te voorzien. De mens heeft immers bepaalde kwaliteiten nodig om in leven te kunnen blijven. Epimetheus (wiens naam 'achterafdenker' betekent) deelt echter alle goede eigenschappen uit aan de dieren, zodat de mens zonder zit. Prometheus ('vooruitdenker') steelt dan het vuur en wordt daarvoor gestraft.

De mensen zijn nu wel in staat in leven te blijven, maar missen de vaardigheid om sámen te leven. Dan stuurt Zeus Hermes naar de mensen en schenkt ze twee eigenschappen die ze nog misten: rechtvaardigheid en schaamtegevoel. Deze twee kwaliteiten stellen de mens in staat om samen te leven en zich verder te ontwikkelen.

Deze mythe geeft blijk van het typische optimisme dat zo kenmerkend is voor Protagoras: alle mensen bezitten eigenschappen die nodig zijn om in harmonie te leven en door onderwijs en vorming is het mogelijk deze eigenschappen te vervolmaken. Ook in andere opzichten legt de leer van Protagoras getuigenis af van een soort verlichtingsdenken: ruimdenkendheid en afkeer van religieuze orthodoxie. In dat opzicht hoort een figuur als Protagoras zeker thuis in de Humanistische Canon.

_____________________________________________________________________________

Auteur van dit venster - Drs Gerhard Binkhorst

Verder lezen
De homo mensura-stelling wordt besproken door Plato in zijn dialoog Theaetetus 151 E en volgende; de mythe over staatsvorming waarin Prometheus een rol speelt, is te vinden in Plato's dialoog Protagoras 320 C- 323 A

De zin over de goden is te vinden in de verzameling van zg. voorsocratische filosofen van Hermann Diels en Walter Kranz, Fragmente der Vorsokratiker.

Een goede studie over de Sofisten is:  
Kerferd, G.B., The Sophistic Movement, Cambridge (1981)